Haren "De Groene Parel"

De gemeente Haren noemt zich graag de groene parel van het noorden. Maar feitelijk is het een parelsnoer van kleinere en grotere natuurgebieden als flonkerende diamantjes ingebed in een bijzonder landschap. Gedrapeerd om en op een uitloper van de Hondsrug. Denk de bomen weg en vanaf de Rijksstraatweg kunt u naar naar twee kanten uitkijken. Naar het westen het ruime dal van de Drentsche Aa, naar het oosten het uitgestrekte Gorecht moeras langs de oevers van de Hunze.

Parels mogen gezien worden en dat geldt zeker voor Haren. Fiets-, wandel- en een uitgestrekt netwerk van zandpaden nodigen uit om de auto te laten staan en er op uit te trekken. Vanaf de stadsrand van Groningen tot aan het Noordlaarderbos. Of van het nieuwe vogelparadijs in de Oostpolder tot aan de bloemenvelden langs het Hemrik, westelijk van Glimmen. Teveel om alles te beschrijven, daarom zijn drie van de mooiste gebieden uitgekozen. Er wordt gewerkt aan een totaal overzich met als titel “Groen Haren, wandelgids groene pareltjes”.

Appèlbergen

De prehistorische A28, zo wordt de Hoge Hereweg dwars door Appèlbergen genoemd. Vanuit het zuiden komend was het een verademing om na de drijfnatte Besloten Venen, eens een doorbraak tussen Hunze en Drentsche Aa, weer droge voeten te krijgen op de door ijs gemodelleerde keileemrug. Boeren van het Trechterbekervolk zullen elkaar hier ontmoet hebben, de legers van Berend von Galen alias Bommen Berend hebben er gekampeerd en de Duitse bezetter maakte er een massagraf van na de mei staking. Ondanks dit dramatische dieptepunt was Appèlbergen vanaf 1900 toch vooral een recreatiebos. Nadat in 1890 de eerste dennen geplant werden, om de verstuiving van het gebied een halt toe te roepen, volgde al snel de bouw van een “paviljoen”. Gegoede burgers konden er met hun sjees voorrijden en in aangenaam gezelschap genieten van de buitenlucht. Met gefronste wenkbrouwen zullen ze uit de lokale courant meegekregen hebben dat er in de dertiger jaren een zwembad aangelegd zou worden. Vertier voor iedereen en hoewel van het zwembad niets meer rest dan uitgegroeide hagen is dat er nog steeds te vinden. In het weekend is het er een dolle boel als hond en kind er uitgelaten worden, maar door de week heerst er nog steeds stilte. Nadat defensie definitief haar laatste oefenstelling verlaten had in 1994 werd Staatsbosbeheer erfgenaam van het gebied. Voor de natuur goed nieuws, maar ondertussen blijft de recreatiedruk hoog. Zeldzame planten als blauwe knoop en echte guldenroede staan letterlijk tussen de spelende kinderen langs de zandverstuiving. Daarbuiten wordt Appèlbergen echter steeds gevarieerder.

Vennen en doodijsgaten uit de IJstijd (pingo’s) zijn in het voorjaar ontmoetingsplaatsen van in blauw gestoken Heikikker heren. Alsof dit nog niet genoeg opvalt hebben ze ook nog eens gekozen voor een totaal afwijkend gekwaak. Feitelijk is het meer een geplop en sommigen vergelijken het wel met een lekkende kraan. In sommige jaren klinkt het gehinnik van een dodaars, ons kleinste fuutje, er dwars doorheen. Voor libellen en waterjuffers is Appèlbergen een aangename blauwe oase tussen droge essen en het nog drogere Noordlaarderbos. Letterlijk twaalf maanden per jaar zijn ze er te vinden. Beginnend met een bijna verstijfde bruine winterjuffer, hangend aan een spriet Pijpenstrootje, tot het dolle gedoe van de zwarte heidelibellen in september. Toch zijn ook deze drukke jagers uitstekend te zien. Gewoon even opletten waar hun uitkijkposten zijn en daar heel rustig gaan zitten. Bedenk wel dat ze beter  kunnen zien dan wij.

Grote bonte en kleine bonte specht zullen blij zijn met het nieuwe natuurbeheer. Dood hout mag blijven staan of liggen en dat betekent een overvloed aan insecten. Maar ook paddenstoelen tieren  er welig bij. Toch is dat niet de enige verklaring waarom er letterlijk honderden soorten in dit bijzondere gebied te vinden zijn. Eeuwenlang groeven karrenwielen zich steeds dieper in het dekzand en zo kwam uiteindelijk keileem aan de oppervlakte. Rijk aan mineralen en dat is wel even wat anders dan het uitgemergelde zand. Daar komt er nog eens bij dat er bij de aanplant van de woeste grond tussen Onner en Glimmer es allerlei boomsoorten gebruikt zijn die nu op respectabele leeftijd komen. Ideaal voor steeds meer paddenstoelen die alleen samen met deze bomen kunnen voorkomen.

Onner- en Oostpolder

Terwijl Hondsrug en Aa vooral een Drentse indruk geven is dat bij Onner en Oostpolder vooral oer-Hollands. Gewrocht uit venig drab en water op een plek waar eens de uitgestrekte moerassen van het Gorecht rond de benedenloop van de Hunze lagen. Nergens in dit deel van de lage landen is er een landschap dat zo geheel en al door de mens geboetseerd is. De eerste boeren vonden er drinkwater, maar het waren Middeleeuwse monniken die de eerste spade in de grond staken. Hun doel was een veilige vaarverbinding met het Zuidlaardermeer en het daarachter verborgen bruine goud. Turf was voor hun niet alleen brandstof voor de kachel van de abt maar ook noodzakelijk voor het bakken van kloostermoppen. Later zullen er watermolens gekomen zijn om in ieder geval de hoger gelegen weilanden droog te malen in voorjaar en zomer. Molen de Biks, vernoemd naar het verdwenen Biksmeertje, en het moderne gemaal laten zien dat de strijd tegen het water nooit gestreden is. Met de herinrichting van het gehele gebied voor wateropvang is er zelfs een nieuwe dimensie aan toegevoegd. Winters hoog water mag in grote delen blijven staan en rustig zijn weg zoeken richting het Drentsche Diep of verdampen in de zomermaanden. Wat blijft zijn de lijnen in het landschap. Oude meanders van de Hunze als kronkels tussen rechte ontwateringssloten. Turfgaten waar inwoners van Onnen en Noordlaren op kleine schaal laagveen opbaggerden. 

Grote delen van de Oostpolder, de volledige Oeverpolder en het oostelijk gedeelte van de Onnerpolder zijn nu in beheer bij het Groninger Landschap. Niet terug naar de uitgestrekte rietmoerassen en elzenbroekbossen van het oude Gorecht maar een veenweidelandschap als vogelhotel is hun doelstelling. En dat dit resultaat heeft mag duidelijk zijn. Al na de eerste wintervloed vielen de kemphanen en watersnippen bij honderden uit de voorjaarslucht. Een nieuw tankstation op weg naar hun noordoostelijke broedgebieden. En terwijl de Kemphaan zo goed als verdwenen is als Nederlandse broedvogel besluit deze bijzondere vogel om heel voorzichtig juist hier weer te gaan broeden. Steltkluten, witwang- en de nog zeldzamere witvleugelstern volgden. Zeearenden zijn al jaren bezig om het gebied te verkennen en ook de visarend wordt er geregeld gespot. De bever is een handje geholpen en inmiddels helemaal thuis in de polders. Langs de dijk van de Oeverpolder kunnen wandelaars een blik werpen op één van de buitenhuizen die deze grote knagers gemaakt hebben. Otters zijn gesignaleerd en de eerste das is vanuit het Noordlaarderbos begonnen aan een voorzichtige verkenning van het gebied.

Noordlaarderbos

Op de website “het verhaal van Groningen” wordt het Noordlaarderbos omschreven als een bijzondere plek waar natuur en cultuur elkaar ontmoeten. Toch zal een jager uit de late steentijd hier onmiddellijk verdwalen. Mogelijk woonde hij met zijn familie op de rand van het Hunzedal. In het oosten een uitgestrekt en ontoegankelijk nat moeras, in het westen begonnen de uitgestrekte wouden van de Hondsrug. Edelhert en zwijn vormden een aangename variatie op zijn dieet van schapenvlees met granen als emmer en eenkoorn. 

Twee millennia later zou hier het laatste bos gekapt worden en werd het een uitgestrekt heidegebied. Mogelijk is in deze tijd het Heilig Bergje of Galgenheuvel als stuifduin gevormd. Tot aan de opdeling van de gemeenschappelijke markegronden kon je op een heldere dag vanaf de top zowel Hunze als Aa zien kronkelen. Voor middeleeuwse reizigers was het een markant punt op hun lange tocht van Coevorden naar Groningen.

Na 1850 veranderde de heide geleidelijk in een productiebos. Grove dennen, die ver voor de Steentijd Drenthe vaarwel gezegd hadden, waren populair. Niet alleen groeiden ze uitstekend op karig zand, maar ook op venige plekken konden ze wortel schieten. De opkomende mijnbouw was graag bereid om zilveren rijksdaalders neer te tellen voor Noordlarens grenenhout. Loofbomen voor timmerhout volgden al snel. Douglas en zilverspar volgden in de twintigste eeuw. In 1932 werd Natuurmonumenten eigenaar van de eerste percelen en zou het gebied opnieuw drastisch veranderen. Productiebos werd ingeruild voor natuur. Buitenlandse soorten werd de wacht aangezet en de motorzaag maakte korte metten met duistere dennen- en sparrenbosjes. Op het land van Malle Marie, tussen Vijftig Bunder en Noordlaarderbos, werden akkers verschraald en begon geleidelijk een paarse heidegloed te ontstaan.

Voor sporen uit het verleden moeten we nu naar de oostrand van het bos waar het enige, echte, Groningse hunebed nog te bewonderen is. Het Heilig Bergje is sinds kort weer vrijgemaakt en heeft aan zijn voet een bosweide gekregen. En uit de Koude Oorlog is er nog een kogelvanger op de plaats waar eens een militaire schietbaan lag. Het Noordlaarderbos is nu vooral een natuurbos in ontwikkeling. Rijk geschakeerd in boomsoorten en een ondergroei waar allerlei paddenstoelen zich uitstekend thuis voelen. Boommarter en Das zijn weer terug alsof ze nooit weggeweest zijn. Ouder wordende eiken worden nu o.a. bezocht door schuwe zwarte spechten, maar de boswachter staat klaar om de zeer zeldzame en roze gekapte middelste bonte specht te begroeten.

Deel deze pagina